Ontstaan

Het water heeft een grote rol gespeeld in de vorming van de Alblasserwaard/Vijfheerenlanden. In de prehistorie bestond het gebied uit een weidse, onbegroeide riviervlakte, ontstaan door grote hoeveelheden (smelt)water die zich richting zee spoedden. Tal van geulen wisselden zich af met hogere plekken van zand en grind. De wind had er vrij spel, waardoor zich zandruggen ontwikkelden, meestal in oostwestrichting. Sommige ruggen groeiden uit tot ware rivierduinen van enkele tientallen meters hoog.

Toen het landschap enigszins tot rust kwam, werden deze rivierduinen ingekapseld door kleiafzetting en veenvorming. Alleen de hoogste rivierduintoppen bleven zichtbaar in het landschap: de donken. Deze donken werden vaak bewoond. Sommige donken werden afgegraven om zand te winnen, zoals in de omgeving van Hoornaar.

Tussen 1000 en 1300 vindt de grote ontginning van het gebied plaats. Men brengt het in cultuur. In deze tijd ontstaan de kenmerkende bebouwingslinten. Men bouwt boerderijen op vastere grond aan de rand van de veengebieden, bijvoorbeeld op een oeverwal. Vandaaruit graaft men, ongeveer haaks op de basis, langgerekte sloten in het veen. Kades en weteringen moeten de ontginning mogelijk maken. Langzaam maar zeker ontstaat zo de kenmerkende slagenverkaveling.