Grondgebruik

Het veen in de Alblasserwaard, voornamelijk bosveen, was ongeschikt als brandstof, waardoor geen grootschalige vervening plaatsvond. Aanvankelijk was het ontgonnen veen bedoeld voor akkerbouw, maar door inklinking als gevolg van ontwatering, werd het te nat voor akkerbouw. Zo kwamen hennepteelt en veeteelt in zicht. De teelt van hennep -dat vooral werd gebruikt voor touw en zeildoek; uit het zaad werd olie geperst- vond plaats op smalle, hoge akkertjes. Door afnemende vraag, liep de hennepteelt in de negentiende eeuw op een eind. De typische, smalle kavelstructuur van de hennepteelt is op veel plekken nog zichtbaar.

De veeteelt/melkveehouderij is tot op de dag van vandaag de belangrijkste vorm van grondgebruik. Van meet af aan werd vooral het dichtst bij de boerderijen gelegen land het meest intensief gebruikt. De boeren brachten op dit land regelmatig een mengsel van bagger en mest -toemaak- aan. Het verder weg gelegen land was meestal in gebruik als hooiland. Door jaarlijks te hooien, soms een paar keer per jaar, verschraalde dit land op den duur tot schraalgrasland of blauwgrasland. Opvallend is nog steeds de grote openheid van dit vroegere hooiland.

Door de minder venige ondergrond in de Vijfheerenlanden, heeft de akkerbouw er langer standgehouden dan in de Alblasserwaard. Maar ook in de Vijfheerenlanden vond langzaam maar zeker een verschuiving plaats naar de veeteelt/melkveehouderij. Lange tijd was ook de griendcultuur -snijgriend voor de taaie tenen en hakgriend voor het zwaardere hout- een belangrijke bron van inkomsten.

Op de wat hoger gelegen stroomruggen leende de zandige bodem zich verder voor fruitteelt (grotendeels peer, maar ook appel).